Bijna hetzelfde DNA. En toch hebben we altijd ruzie.
Read this column in EnglishEr is iets merkwaardigs met de mens.
We lijken genetisch ontzettend veel op elkaar. De bekende uitspraak is dat ons DNA voor ongeveer 99,9 procent overeenkomt. Wie ook grotere genetische verschillen meetelt, komt op een iets lager percentage uit. Maar de conclusie blijft hetzelfde: de mensheid is biologisch een bijzonder hechte familie.
Alleen heeft iemand blijkbaar vergeten dat tijdens de familievergadering te vertellen.
Want ondertussen hebben we politieke partijen, religies, landsgrenzen en oorlogen. En als er daarna nog tijd overblijft, beginnen we een discussie over de temperatuur van de airconditioning.
Dat laatste heb ik op mijn reizen trouwens vaker meegemaakt dan een debat over DNA.
In hetzelfde vliegtuig zit iemand die het koud heeft naast iemand die vindt dat het eindelijk aangenaam wordt. Beiden behoren tot dezelfde diersoort. Beiden willen een prettige vlucht. Toch kijkt de een naar het ventilatieroostertje alsof het een reddingsmiddel is, terwijl de ander er een internationale mensenrechtenschending in ziet.
Misschien begint daar al een deel van het antwoord.
We hebben ongeveer dezelfde behoeften. Alleen verschillen onze ervaringen, omstandigheden en ideeën over hoe daaraan moet worden voldaan.
Neem een straat met vier bewoners.
De ondernemer wil minder regels. De gepensioneerde wil zekerheid. De jonge huurder wil betaalbare woningen. De eigenaar van drie appartementen wil graag dat iedereen begrijpt hoe zwaar het bestaan van een verhuurder is.
Ze willen allemaal een betere samenleving.
Bij voorkeur eentje waarin hun eigen probleem als eerste wordt opgelost.
Dat maakt hen nog geen slechte mensen. Het maakt hen mensen.
Ons DNA bevat geen partijprogramma. Er staat nergens tussen de biologische instructies: deze persoon wordt later liberaal, behalve op woensdag, wanneer hij wegens een vertraagde trein tijdelijk voor nationalisatie is.
Een kind krijgt ook geen religie mee zoals het een oogkleur erft. Het groeit op tussen verhalen, gebruiken, overtuigingen en mensen die uitleggen hoe de wereld volgens hen in elkaar zit.
Wie ergens anders was geboren, had waarschijnlijk een andere taal gesproken en andere vanzelfsprekendheden meegekregen.
Dat is een ongemakkelijke gedachte voor iemand die overtuigd is dat zijn eigen gelijk toevallig precies op zijn geboorteadres werd bezorgd.
Maar verschillen zijn op zichzelf geen probleem.
De wereld heeft voorzichtige mensen nodig én mensen die iets durven. Mensen die bewaren én mensen die vernieuwen. De een controleert of de brug stevig is. De ander vraagt waarom we eigenlijk nog steeds een veerpont gebruiken.
Zelfs binnen één gezin kan iemand rustig de handleiding lezen, terwijl een ander het apparaat alvast aansluit.
Ik zal niet zeggen tot welke categorie ik behoor.
Wel dat ik soms achteraf ontdek waarom er een handleiding bij zat.
Ook mannen onderling en vrouwen onderling vormen geen twee keurige verzamelingen identieke exemplaren. Welke verschillen groot of klein zijn, hangt af van wat je onderzoekt. Voor een gesprek met de buurvrouw is het meestal nuttiger om haar te leren kennen dan eerst een gemiddelde over vrouwen op te zoeken.
Het gevaar begint wanneer we van een verschil een rangorde maken.
Mijn overtuiging wordt dan bewijs van mijn verstand. Jouw overtuiging wordt bewijs van jouw gebrek daaraan.
En vervolgens vinden we elkaar steeds vreemder, terwijl we elkaar steeds minder spreken.
Onderzoek onder Amerikaanse politieke tegenstanders laat zien hoe mensen kunnen overschatten hoeveel de andere groep hen veracht. Je denkt dat zij jou haten. Dus kijk je alvast vijandig terug. Zij zien jouw blik en denken: zie je wel.
Zo produceren we gezamenlijk het bewijs voor een misverstand.
Een opmerkelijk efficiënte samenwerking, helaas voor het verkeerde doel.
Oorlogen hebben natuurlijk ingewikkelder oorzaken dan een verkeerd begrepen blik. Macht, grondgebied, angst, onderdrukking en belangen spelen mee. Maar het wordt gemakkelijker mensen tegen elkaar op te zetten wanneer de ander eerst zijn menselijke gezicht verliest.
Dan wordt een vader een categorie. Een moeder een vijandbeeld. Een kind een getal.
Terwijl die vader misschien hetzelfde wil als jij: veilig thuiskomen, zijn gezin onderhouden en ’s nachts kunnen slapen zonder explosies.
Onze genetische overeenkomst verplicht ons niet tot dezelfde mening. Gelukkig maar. Een wereld waarin iedereen hetzelfde denkt, lijkt mij vooral een vergadering waarin niemand ontdekt dat het plan niet werkt.
Maar misschien mogen we van die grote biologische familie iets meer verwachten.
Niet dat we allemaal dezelfde god aanbidden, dezelfde partij kiezen of dezelfde toekomst voor ons zien.
Wel dat we begrijpen dat een ander mens meer is dan het etiket dat wij op hem plakken.
We hoeven geen DNA-test af te nemen voordat we elkaar fatsoenlijk behandelen.
Een gesprek zou al een aardig begin zijn.
En zet tijdens dat gesprek de airconditioning maar even uit.
Read this column in English
Almost the Same DNA. Yet We Still Keep Arguing.
There is something peculiar about human beings.
Genetically, we are remarkably alike. The familiar claim is that we share around 99.9 per cent of our DNA. Include larger genetic differences and the percentage comes out slightly lower. But the conclusion remains the same: biologically, humanity is a very close-knit family.
Apparently, someone forgot to mention that at the family meeting.
Because meanwhile, we have political parties, religions, national borders and wars. And if there is any time left afterwards, we start an argument about the air conditioning.
On my travels, I have encountered that last discussion rather more often than a debate about DNA.
On the same aircraft, someone who is freezing sits beside someone who thinks the temperature is finally comfortable. Both belong to the same species. Both want a pleasant flight. Yet one regards the little air vent as a lifeline, while the other sees an international human rights violation.
Perhaps that is where part of the answer begins.
We have roughly the same needs. What differs is our experience, our circumstances and our ideas about how those needs should be met.
Take a street with four residents.
The entrepreneur wants fewer rules. The pensioner wants security. The young tenant wants affordable housing. The owner of three flats would like everyone to understand just how difficult a landlord’s life can be.
They all want a better society.
Preferably one in which their own problem is solved first.
That does not make them bad people. It makes them people.
Our DNA contains no party manifesto. Nowhere among the biological instructions does it say: this person will grow up to favour free markets, except on Wednesdays, when a delayed train briefly converts him to nationalisation.
Nor does a child inherit a religion the way it inherits an eye colour. It grows up surrounded by stories, customs, beliefs and people explaining how they think the world works.
Someone born elsewhere would probably have spoken another language and grown up with different things taken for granted.
That is an uncomfortable thought for anyone convinced that the truth happened to be delivered to their own birth address.
But differences are not a problem in themselves.
The world needs cautious people and people willing to take a chance. People who preserve and people who innovate. One checks whether the bridge is sturdy. Another asks why we are still using a ferry.
Even within one family, someone may calmly read the manual while someone else is already plugging in the appliance.
I shall not say which category I belong to.
Only that I sometimes discover afterwards why a manual was included.
Men among themselves and women among themselves do not form two tidy collections of identical specimens either. Which differences are large or small depends on what you study. When talking to your female neighbour, it is usually more useful to get to know her than to look up an average for women first.
The danger begins when we turn a difference into a hierarchy.
My conviction becomes proof of my intelligence. Your conviction becomes proof of your lack of it.
And then we find each other increasingly strange, while speaking to each other increasingly little.
Research among American political opponents shows how people can overestimate how much the other group despises them. You think they hate you. So you give them a hostile look in advance. They see your expression and think: there you are, proof.
Together, we manufacture the evidence for a misunderstanding.
A remarkably efficient collaboration, unfortunately serving the wrong purpose.
Wars, of course, have more complicated causes than a misunderstood look. Power, territory, fear, oppression and competing interests all play a part. But it becomes easier to turn people against one another when the other person first loses their human face.
Then a father becomes a category. A mother becomes an enemy stereotype. A child becomes a number.
Yet that father may want the same things you do: to get home safely, support his family and sleep at night without explosions.
Our genetic similarity does not oblige us to share the same opinion. Thankfully. A world where everyone thinks alike sounds to me mainly like a meeting in which nobody notices that the plan does not work.
But perhaps we can expect a little more from this great biological family.
Not that we all worship the same god, vote for the same party or imagine the same future.
Simply that we understand another human being is more than the label we stick on them.
We do not need to take a DNA test before treating one another decently.
A conversation would be a decent start.
And during that conversation, perhaps switch off the air conditioning.
Actuele Nederlandse onderwerpen, telkens bekeken vanuit een persoonlijke en verrassende invalshoek.
