De rechtbank staat in Den Haag, maar de uitknop ligt in Washington
In Den Haag staat een groot gebouw waarin mensen uit verschillende landen proberen vast te stellen wie verantwoordelijk is voor genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid.
Het heet het Internationaal Strafhof.
Het gebouw heeft rechtszalen, rechters, aanklagers, beveiligers, computers en waarschijnlijk ook een koffieautomaat die alleen werkt nadat formulier K-17 in drievoud is ingediend. Het is tenslotte een internationale instelling in Nederland.
Wat het gebouw blijkbaar niet heeft, is een eigen uitknop.
Die bevindt zich voor een belangrijk deel in Washington.
De Amerikaanse regering heeft al medewerkers en rechters van het Strafhof gesanctioneerd en dreigt met maatregelen die de dagelijkse werking van het hof verder kunnen ontregelen. Het gaat dan niet alleen om een verbod om naar Amerika te reizen.
Dat zou voor sommige Europese rechters nog te overleven zijn. Een mens kan tenslotte ook vakantie vieren in Drenthe.
Het echte gevaar zit in de afhankelijkheid van Amerikaanse banken, betaalbedrijven, softwareleveranciers, cloudsystemen en andere diensten. Wanneer medewerkers niet meer betaald kunnen worden, leveranciers afhaken en digitale systemen niet meer beschikbaar zijn, hoeft niemand de deuren van het Strafhof met geweld te sluiten.
Je trekt eenvoudig de digitale stekker eruit.
Nederland is het gastland van het hof. Wij bewaken het gebouw, beschermen medewerkers en getuigen en zorgen ervoor dat het instituut kan functioneren. Maar zodra een buitenlandse regering Amerikaanse ondernemingen verbiedt om zaken met het Strafhof te doen, ontdekt Den Haag hoe betrekkelijk gastvrijheid is wanneer een ander de sleutels van de technische ruimte bezit.
Over de beslissingen van het Strafhof mag iedereen een mening hebben.
Je kunt vinden dat het hof te politiek opereert, te langzaam werkt, verkeerde prioriteiten stelt of onvoldoende rekening houdt met nationale belangen. Rechters zijn niet onfeilbaar en internationale instellingen evenmin.
Maar daar bestaan juridische procedures voor.
Een rechterlijke uitspraak bestrijd je met argumenten, advocaten en hoger beroep. Niet door de bankrekening van de rechter te blokkeren en zijn softwareabonnement op te zeggen.
Anders kunnen we de rechtbank net zo goed vervangen door een klantenservice. “Toets één als u het niet eens bent met de aanklager. Toets twee om de rechter te sanctioneren. Blijf aan de lijn om het volledige rechtssysteem tijdelijk buiten werking te stellen.”
De kernvraag is daarom groter dan het Strafhof.
Wie bepaalt wat er in Europa kan functioneren?
Europa spreekt graag over waarden, rechtsstaat en strategische autonomie. Dat klinkt indrukwekkend tijdens een persconferentie in Brussel, vooral wanneer het wordt uitgesproken tegen een achtergrond van blauwe vlaggen met gouden sterren.
Maar autonomie begint niet bij een vlag.
Autonomie begint bij de vraag of je zelfstandig kunt betalen, communiceren, opslaan, beveiligen, produceren en verdedigen.
Als Europese rechtbanken Amerikaanse software nodig hebben, Europese banken bang zijn voor Amerikaanse sancties, onze communicatie via Amerikaanse platforms loopt en onze veiligheid grotendeels afhankelijk blijft van Amerikaanse militaire bescherming, dan is strategische autonomie vooral een mooie brochure.
Europa is economisch een reus, maar gedraagt zich internationaal nog te vaak als iemand die aan een ander vraagt of hij zijn eigen creditcard mag gebruiken.
Dat moet veranderen.
Niet omdat Amerika onze vijand is.
De Verenigde Staten zijn al tientallen jaren een belangrijke bondgenoot. Amerikanen hebben een grote bijdrage geleverd aan de bevrijding en veiligheid van Europa. De samenwerking op het gebied van handel, wetenschap, technologie en defensie heeft beide continenten veel gebracht.
Dankbaarheid is echter geen levenslang contract van ondergeschiktheid.
Echte vrienden verwachten niet dat de ander altijd zwijgt. Echte bondgenoten behandelen elkaar als gelijken. En gelijkwaardigheid betekent dat Europa soms rustig maar duidelijk “nee” moet kunnen zeggen.
Niet met grote woorden, boze gezichten en speciaal voor televisie opgerolde hemdsmouwen. Wel met systemen die voorkomen dat dreigementen effect hebben.
Europa heeft daarom een eigen financiële verdedigingslinie nodig. Europese banken en bedrijven moeten beschermd worden wanneer een buitenlandse mogendheid probeert haar nationale sancties op Europees grondgebied af te dwingen.
Er bestaan daarvoor instrumenten, zoals Europese blokkadewetgeving en maatregelen tegen economische dwang. Maar een verdedigingsmiddel dat nooit wordt gebruikt, maakt ongeveer evenveel indruk als een brandblusser waarvan iedereen eerst drie maanden moet vergaderen voordat iemand het zegel durft te verbreken.
Daarnaast moet Europa investeren in eigen digitale infrastructuur.
Niet omdat alle Amerikaanse technologie slecht is. Integendeel, veel ervan is uitstekend. Maar essentiële Europese instellingen mogen nooit volledig afhankelijk zijn van leveranciers die door één buitenlandse president tot medewerking kunnen worden gedwongen.
Rechtbanken, overheden, ziekenhuizen, energiebedrijven en defensieorganisaties moeten kunnen terugvallen op Europese cloudopslag, Europese software, Europese betaalmogelijkheden en Europese beveiliging.
Redundantie heet dat in de techniek.
Gezond verstand heet het buiten de techniek.
Ook op militair gebied zal Europa volwassener moeten worden. Een continent met bijna 450 miljoen inwoners kan niet eeuwig verwachten dat een land aan de andere kant van de Atlantische Oceaan de rekening, de wapens en uiteindelijk ook de voorwaarden bepaalt.
Samenwerking binnen de NAVO blijft belangrijk. Maar samenwerking is sterker wanneer beide kanten daadwerkelijk iets kunnen bijdragen. Een bondgenoot zonder eigen mogelijkheden is geen volwaardige partner, maar een beschermeling met een vlag.
Europese zelfstandigheid betekent niet dat we een nieuwe supermacht moeten worden die ieder probleem oplost met sancties, vliegdekschepen en een indrukwekkende hoeveelheid hoofdletters.
Het betekent dat Europa zelf keuzes kan maken.
Dat we internationale instellingen op ons eigen grondgebied kunnen beschermen.
Dat onze economie niet met één presidentieel besluit kan worden stilgezet.
Dat Europese burgers, bedrijven en rechters niet hoeven te vrezen dat hun bankrekening verdwijnt omdat zij hun werk doen volgens Europese of internationale regels.
En dat wij dezelfde principes toepassen op iedere wereldmacht.
Europa moet zich niet laten intimideren door Washington, maar ook niet door Moskou, Beijing of welke toekomstige hoofdstad zich geroepen voelt ons de les te lezen. Zelfstandigheid die alleen geldt tegenover één land is geen zelfstandigheid, maar selectieve verontwaardiging.
De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties laat deze week opnieuw zien hoeveel landen graag spreken over internationale regels.
Bijna iedere leider verdedigt de wereldorde zolang die wereldorde precies doet wat zijn eigen regering wil. Zodra een internationale instelling naar een bondgenoot, een generaal of een regeringsleider wijst, blijkt het enthousiasme voor onafhankelijk recht plotseling minder groot.
Juist daarom bestaat het Strafhof.
Niet omdat het altijd gelijk heeft, maar omdat oorlogsmisdaden niet uitsluitend beoordeeld mogen worden door de landen die de oorlog voeren.
Nederland noemt Den Haag graag de internationale stad van vrede en recht. Dat is een mooie titel, maar een titel schept verplichtingen.
Wie het recht onderdak geeft, moet het ook beschermen.
Niet alleen met hekken, bewakers en diplomatieke verklaringen, maar met praktische onafhankelijkheid. Met betalingssystemen die blijven werken. Met software die niet op afstand kan worden afgesloten. Met banken die Europese regels volgen. En met een Europese Unie die begrijpt dat beleefd protest geen antwoord is op economische intimidatie.
Europa hoeft daarvoor niet te schreeuwen.
Een trots continent bewijst zijn kracht niet door voortdurend te vertellen hoe machtig het is. Het zorgt ervoor dat anderen weten waar de grenzen liggen.
De boodschap aan Amerika kan vriendelijk en duidelijk zijn:
Wij willen samenwerken. Wij waarderen onze historische band. Wij blijven bondgenoten. Maar onze rechtbanken, onze rechtsorde en onze politieke keuzes zijn niet te koop, niet te blokkeren en niet op afstand uit te schakelen.
Want zolang het Internationaal Strafhof in Den Haag staat, maar Washington de digitale uitknop kan bedienen, is Europa nog niet werkelijk zelfstandig.
Het goede nieuws is dat wij die uitknop kunnen verplaatsen.
Niet naar Brussel, Parijs of Berlijn.
Maar naar een Europees systeem waarin geen enkele buitenlandse wereldmacht hem nog alleen kan bedienen.
The Court Is in The Hague, but the Off Switch Is in Washington
In The Hague stands a large building where people from different countries try to determine who is responsible for genocide, war crimes and crimes against humanity.
It is called the International Criminal Court.
The building has courtrooms, judges, prosecutors, security officers, computers and probably a coffee machine that works only after form K-17 has been submitted in triplicate. After all, it is an international institution in the Netherlands.
What the building apparently does not have is its own off switch.
A significant part of that switch is located in Washington.
The United States government has already sanctioned ICC officials and judges and is threatening measures that could further disrupt the court’s daily operations. This is about more than being prohibited from travelling to America.
Some European judges could probably survive that. A person can always spend a holiday in Drenthe instead.
The real danger lies in dependence on American banks, payment companies, software suppliers, cloud systems and other services. If employees can no longer be paid, suppliers withdraw and digital systems become unavailable, nobody needs to close the court’s doors by force.
You simply pull the digital plug.
The Netherlands is the court’s host country. We guard the building, protect staff and witnesses and help the institution function. But the moment a foreign government prohibits American companies from doing business with the ICC, The Hague discovers how relative hospitality becomes when somebody else owns the keys to the technical room.
Everyone is entitled to an opinion about the ICC’s decisions.
You may believe that the court is too political, too slow, pursuing the wrong priorities or paying too little attention to national interests. Judges are not infallible, and neither are international institutions.
But that is why legal procedures exist.
You challenge a judicial decision with arguments, lawyers and appeals—not by blocking the judge’s bank account and cancelling the court’s software subscription.
Otherwise, we might as well replace the court with a customer-service line. “Press one if you disagree with the prosecutor. Press two to sanction the judge. Please remain on the line to temporarily disable the entire legal system.”
The central question is therefore much larger than the ICC.
Who decides what is allowed to function in Europe?
Europe likes to talk about values, the rule of law and strategic autonomy. It sounds impressive at a press conference in Brussels, especially when spoken in front of blue flags decorated with golden stars.
But autonomy does not begin with a flag.
Autonomy begins with the ability to pay, communicate, store information, provide security, produce and defend yourself independently.
If European courts need American software, European banks fear American sanctions, our communication runs through American platforms and our security remains largely dependent on American military protection, strategic autonomy is mainly an attractive brochure.
Europe is an economic giant, yet internationally it still behaves too often like somebody asking another person for permission to use his own credit card.
That must change.
Not because America is our enemy.
The United States has been an important ally for decades. Americans made an enormous contribution to the liberation and security of Europe. Cooperation in trade, science, technology and defence has benefited both continents.
Gratitude, however, is not a lifelong contract of subordination.
True friends do not expect one another always to remain silent. Genuine allies treat each other as equals. Equality means Europe must sometimes be able to say “no”—calmly but clearly.
Not with grand speeches, angry faces and shirt sleeves rolled up especially for television, but with systems that prevent threats from having an effect.
Europe therefore needs its own financial line of defence. European banks and companies must be protected when a foreign power tries to enforce its national sanctions on European territory.
Tools already exist, including European blocking legislation and measures against economic coercion. But a defensive instrument that is never used is about as impressive as a fire extinguisher that requires three months of meetings before anyone dares to break the seal.
Europe must also invest in its own digital infrastructure.
Not because all American technology is bad. On the contrary, much of it is excellent. But essential European institutions should never be completely dependent on suppliers that can be forced to cooperate by a single foreign president.
Courts, governments, hospitals, energy companies and defence organisations need access to European cloud storage, European software, European payment options and European security.
Engineers call that redundancy.
Outside engineering, it is called common sense.
Europe must become more mature in military affairs as well. A continent of nearly 450 million people cannot forever expect a country on the other side of the Atlantic to determine the bill, the weapons and eventually the conditions.
Cooperation within NATO remains important. But cooperation is stronger when both sides can make a real contribution. An ally without its own capabilities is not a fully equal partner, but a dependent with a flag.
European independence does not mean becoming another superpower that solves every problem with sanctions, aircraft carriers and an impressive quantity of capital letters.
It means Europe can make its own choices.
It means protecting international institutions on our own territory.
It means ensuring our economy cannot be stopped by one presidential decision.
It means European citizens, companies and judges need not fear losing access to their bank accounts because they perform their duties under European or international law.
And it means applying the same principles to every world power.
Europe should not allow itself to be intimidated by Washington, but neither by Moscow, Beijing or any future capital that feels entitled to give us orders. Independence that applies to only one country is not independence. It is selective outrage.
This week’s United Nations General Assembly once again demonstrates how many countries enjoy talking about international rules.
Almost every leader defends the world order for as long as that order does exactly what his or her government wants. The moment an international institution points towards an ally, a general or a head of government, enthusiasm for independent justice suddenly becomes much weaker.
That is precisely why the ICC exists.
Not because it is always right, but because war crimes should not be judged exclusively by the countries conducting the wars.
The Netherlands likes to call The Hague the international city of peace and justice. It is an admirable title, but a title creates obligations.
If you provide justice with a home, you must also protect it.
Not only with fences, guards and diplomatic statements, but through practical independence: payment systems that continue working, software that cannot be switched off remotely, banks that follow European rules, and a European Union that understands that polite protest is not an answer to economic intimidation.
Europe does not have to shout.
A proud continent does not prove its strength by constantly announcing how powerful it is. It makes certain that others know where its boundaries lie.
The message to America can be both friendly and clear:
We want to cooperate. We value our historic relationship. We remain allies. But our courts, our legal order and our political choices are not for sale, cannot be blocked and cannot be switched off remotely.
As long as the International Criminal Court stands in The Hague while Washington can operate its digital off switch, Europe is not yet truly independent.
The good news is that we can move that switch.
Not to Brussels, Paris or Berlin.
But to a European system in which no foreign superpower can ever control it alone.
Actuele Nederlandse onderwerpen, telkens bekeken vanuit een persoonlijke en verrassende invalshoek.
