Maandag 28 september 2026 · Column 7

De dictator met tafelmanieren

Read this column in English

Ik had deze week graag vijf minuten in het hoofd van Xi Jinping willen zitten.

Niet langer, uiteraard. Je weet nooit welke apps daar verplicht geïnstalleerd zijn.

De Chinese president was op bezoek in Washington bij Donald Trump. Twee mannen die gewend zijn dat een zaal stil wordt zodra zij binnenkomen. Bij Xi gebeurt dat omdat niemand graag spoorloos verdwijnt. Bij Trump omdat iedereen benieuwd is wie er deze keer beledigd wordt.

Xi arriveerde zoals Chinese leiders dat doen: beheerst, voorbereid en met een gezichtsuitdrukking alsof hij persoonlijk al drieduizend jaar beschaving vertegenwoordigt. Trump ontving hem zoals Trump buitenlandse leiders ontvangt: alsof hij een vastgoedmakelaar is die zojuist heeft ontdekt dat de bezoeker misschien een heel duur penthouse kan kopen.

Het gesprek ging over handel, kunstmatige intelligentie, Taiwan, Iran en ongeveer de helft van de toekomstige wereldorde. Maar ik vroeg me vooral af wat Xi dacht toen hij tegenover Trump zat.

Waarschijnlijk iets als: Wij hebben hier dus zestig jaar universiteiten voor gebouwd?

Laat er geen misverstand over bestaan: Xi Jinping is een dictator. Onder zijn bewind worden politieke tegenstanders onderdrukt, journalisten gecensureerd en burgers digitaal gevolgd op een manier waarvan zelfs Facebook nog iets kan leren.

Wie in China te luid kritiek levert op de regering, krijgt niet onmiddellijk een uitnodiging voor een talkshow om zijn standpunt toe te lichten.

Toch bezit Xi iets wat Trump merkwaardig genoeg als een teken van zwakte lijkt te beschouwen: zelfbeheersing.

Xi beledigt journalisten niet dagelijks voor het oog van de camera. Hij laat ze liever helemaal niet voor de camera verschijnen. Dat is democratisch gezien veel erger, maar esthetisch aanzienlijk rustiger.

Trump daarentegen behandelt persconferenties soms als een schoolplein waarop hij zowel directeur als pestkop wil zijn. Hij wijst, sneert, kleineert en deelt bijnamen uit. De president van de grootste westerse democratie gedraagt zich regelmatig alsof beschaving een buitenlandse importheffing verdient.

Dat levert een vreemde tegenstelling op.

Aan de ene kant zit een autoritaire leider die zich uiterst beleefd gedraagt. Aan de andere kant zit een democratisch gekozen president die spreekt alsof hij zojuist uit een luidruchtige kroeg is gezet — wegens gebrek aan manieren.

Daarmee komen we bij een ongemakkelijke vraag: heeft een land tijdens zijn ontwikkeling soms meer behoefte aan krachtig bestuur dan aan volledige democratie?

China heeft in ongeveer zestig jaar een ontwikkeling doorgemaakt waarvoor Europa eeuwen nodig had. Honderden miljoenen mensen ontsnapten aan extreme armoede. Er verrezen steden, spoorlijnen, havens, universiteiten en fabrieken in een tempo waarbij een Nederlandse inspraakavond al na de eerste dia zou zijn overschreden.

In Nederland duurt het soms vijftien jaar om te besluiten waar een spoorlijn moet komen. In China ligt die spoorlijn er vijftien minuten voordat iemand durft te vragen waar hij naartoe gaat.

Ook Singapore ontwikkelde zich onder een uitzonderlijk krachtig en weinig toegeeflijk bestuur. Lee Kuan Yew bouwde een arm handelsstadje om tot een van de veiligste en welvarendste landen ter wereld. Corruptie werd hard aangepakt, onderwijs kreeg prioriteit en ambtenaren moesten daadwerkelijk iets kunnen — een revolutionair idee dat nog niet overal is doorgedrongen.

Maar daaruit volgt niet automatisch dat een dictator goed is voor de economie.

Voor iedere Lee Kuan Yew zijn er tientallen dictators die vooral paleizen, standbeelden en buitenlandse bankrekeningen bouwen. Een dictator kan snel beslissen, maar ook razendsnel het verkeerde beslissen. Zonder vrije pers, onafhankelijke rechtspraak en politieke oppositie staat er niemand bij de noodrem.

De Chinese vooruitgang kwam bovendien niet uitsluitend door autoritair bestuur. Zij kwam door marktwerking, buitenlandse investeringen, onderwijs, infrastructuur en toegang tot de wereldhandel. Juist toen China iets minder communistisch begon te handelen, begon het land spectaculair rijker te worden.

Communisme bleek uiteindelijk uitstekend in één ding: het produceren van kapitalisten die officieel nog communisten heten.

Democratie is traag, luidruchtig en soms vermoeiend. Iedereen mag meepraten, ook mensen die niets te zeggen hebben maar dat uitstekend kunnen uitleggen. Er zijn verkiezingen, commissies, bezwaren, beroepsprocedures en politici die een besluit eerst daadkrachtig aankondigen en daarna zorgvuldig uitstellen.

Maar die traagheid is geen fout in het systeem. Zij is gedeeltelijk de rem die voorkomt dat één man het hele land over een klif rijdt omdat niemand hem durft te vertellen dat de weg daar ophoudt.

Het echte probleem is daarom niet de keuze tussen democratie en een ‘goede dictator’.

We hebben democratie nodig mét langetermijnbeleid, deskundigheid en besluitvaardigheid. Een democratie die niet iedere vier jaar al haar plannen opnieuw in de lucht gooit. Een overheid die grote projecten binnen een mensenleven kan uitvoeren. En leiders die begrijpen dat fatsoen geen zwakte is.

Misschien keek Xi tijdens het staatsdiner naar Trump en dacht hij: Deze man heeft verkiezingen nodig om macht te krijgen.

Misschien keek Trump naar Xi en dacht hij: Deze man heeft geen verkiezingen nodig. Waar kan ik dat abonnement afsluiten?

Beiden zouden iets van de ander kunnen leren.

Xi kan leren dat kritiek geen staatsgevaar is, maar gratis kwaliteitscontrole.

Trump kan leren dat een president niet kleiner wordt door zich groter te gedragen.

En wij kunnen leren dat economische vooruitgang zonder vrijheid een glanzende kooi blijft, maar dat vrijheid zonder bestuurlijke daadkracht uiteindelijk een vergaderzaal wordt waarin iedereen mag spreken en niemand meer iets bouwt.

Beschaving zit niet in een staatsbanket, een rode loper of de manier waarop iemand zijn servet gebruikt.

Beschaving begint wanneer zelfs de machtigste man in het land accepteert dat iemand anders hem mag tegenspreken.

The Dictator with Table Manners

I would have liked to spend five minutes inside Xi Jinping’s head this week.

No longer, obviously. You never know which apps are mandatory in there.

The Chinese president was visiting Donald Trump in Washington. Two men accustomed to a room falling silent the moment they enter. With Xi, because nobody is keen to disappear without a trace. With Trump, because everyone wonders who will be insulted next.

Xi arrived the way Chinese leaders do: controlled, prepared, and wearing an expression suggesting that he personally represents three thousand years of civilisation. Trump received him the way Trump receives foreign leaders: like a property developer who has just discovered that the visitor might buy a very expensive penthouse.

They discussed trade, artificial intelligence, Taiwan, Iran, and roughly half of the future world order. But I mainly wondered what Xi was thinking as he sat opposite Trump.

Probably something like: So this is why we spent sixty years building universities?

Let there be no misunderstanding: Xi Jinping is a dictator. Under his rule, political opponents are suppressed, journalists are censored, and citizens are digitally monitored in ways from which even Facebook could still learn.

Anyone in China who criticises the government too loudly does not immediately receive an invitation to a talk show to explain their position.

Yet Xi possesses something Trump curiously seems to regard as a sign of weakness: self-control.

Xi does not insult journalists in front of the cameras every day. He would rather keep them away from the cameras altogether. Democratically, that is far worse; aesthetically, it is considerably quieter.

Trump, by contrast, sometimes treats press conferences like a school playground on which he wants to be both headmaster and bully. He points, sneers, belittles, and hands out nicknames. The president of the world’s largest Western democracy regularly behaves as though civilisation deserves an import tariff.

It creates a strange contrast.

On one side sits an authoritarian leader who behaves with impeccable politeness. On the other sits a democratically elected president who speaks as though he has just been thrown out of a noisy pub — for lack of manners.

That brings us to an uncomfortable question: during its development, does a country sometimes need forceful government more than full democracy?

In roughly sixty years, China has undergone a transformation that took Europe centuries. Hundreds of millions escaped extreme poverty. Cities, railways, ports, universities, and factories appeared at a pace that would bring a Dutch public-consultation meeting to a halt before the second slide.

In the Netherlands, it can take fifteen years to decide where a railway should go. In China, the railway is already there fifteen minutes before anyone dares ask where it is going.

Singapore, too, developed under exceptionally forceful and uncompromising government. Lee Kuan Yew transformed a poor trading city into one of the safest and most prosperous countries in the world. Corruption was tackled firmly, education was prioritised, and civil servants were expected to be genuinely competent — a revolutionary idea that has not yet reached every country.

But that does not automatically mean dictators are good for the economy.

For every Lee Kuan Yew, there are dozens of dictators who mainly build palaces, statues, and foreign bank accounts. A dictator can decide quickly, but can also make the wrong decision at terrifying speed. Without a free press, independent courts, and political opposition, nobody is standing beside the emergency brake.

China’s progress, moreover, did not result from authoritarian government alone. It came from market forces, foreign investment, education, infrastructure, and access to global trade. China began growing spectacularly richer precisely when it started behaving a little less like a communist economy.

Communism ultimately proved excellent at one thing: producing capitalists who are still officially called communists.

Democracy is slow, noisy, and sometimes exhausting. Everyone is allowed to speak, including people who have nothing to say but can explain it extremely well. There are elections, committees, objections, appeals, and politicians who first announce a decision decisively and then postpone it carefully.

But that slowness is not simply a defect in the system. It is partly the brake that prevents one man from driving the entire country over a cliff because nobody dares tell him the road ends there.

The real problem, therefore, is not a choice between democracy and a “good dictator”.

We need democracy with long-term policy, expertise, and decisiveness. A democracy that does not throw all its plans into the air every four years. A government capable of completing major projects within a human lifetime. And leaders who understand that decency is not weakness.

Perhaps Xi looked at Trump during the state dinner and thought: This man needs elections to obtain power.

Perhaps Trump looked at Xi and thought: This man does not need elections. Where can I subscribe?

Both could learn something from the other.

Xi could learn that criticism is not a threat to the state but free quality control.

Trump could learn that a president does not become smaller by behaving with greater dignity.

And we could learn that economic progress without freedom remains a gleaming cage, while freedom without effective government eventually becomes a conference room in which everyone may speak and nobody builds anything.

Civilisation is not found in a state banquet, a red carpet, or the way someone uses his napkin.

Civilisation begins when even the most powerful man in the country accepts that someone else has the right to contradict him.

Over de columnist

Ad Latjes

Levenslange reiziger, internetpionier, ondernemer en nieuwsgierige waarnemer. Ad kijkt met internationale ervaring, gezond verstand en humor naar het nieuws van vandaag.

Contact Ad Latjes

Blijf lezen
Regelmatig een nieuwe column

Actuele Nederlandse onderwerpen, telkens bekeken vanuit een persoonlijke en verrassende invalshoek.