OTHER LANGUAGES

English opens automatically. Choose another language below, or Dutch / Nederlands for the original. Translations are automatic.

Loading language selector…

Listen to the interview

Select a reading language above, wait for the translation, then press Listen. Audio is available when your device has a matching voice.

Loading voices…

Playboy · Augustus 1990 · Interview: Hans Hoffmann

Historisch interview, overgenomen uit de aangeleverde scans. De tekst beschrijft de situatie en uitspraken van augustus 1990.

De Opkomst, Afgang & Wederopstanding van goedkope-reisgoochelaar Ad Latjes, alsmede zijn diepere gevoelens, dáárover gaat dit verrassende, vaak verdrietige, maar ware verhaal. Zó verdrietig en waar, dat Ad er zelf om moest huilen. Het was de eerste keer dat hij het vertelde.

Hij is pas veertig, maar hij was al „Ad Gladjes”; Tijl Uilenspiegel-in-exotische-bestemmingen; etherpiraat; vredesapostel; lijsttrekker van de Tilburgse, centrum-linkse Partij van de Toekomst (zomer 1982) zonder toekomst; carnavalszanger; verzinner van opmerkelijke advertenties („Vanaf nu tot het einde der tijden kunt u ons dag en nacht bellen”); gemankeerd econoom en ingenieur, maar meester van vijf sprekende computers en zwart schaap.

PLAYBOY-medewerker HANS HOFFMANN had drie gesprekken in het onrustig gestoffeerde kantoor van Malibu Travel BV nodig om er achter te komen hoe een en ander in elkaar zat — niet in het minst vanwege de mompelende en grillige betoogtrant van de apart gekapte, licht loenzende Latjes — maar toen was het ijs ook gebroken en verliepen de volgende zittingen van een leien dakje. Hij vernam dat Ad een geboren leeuw is in het jaar van de tijger („liever lui dan moe dus, maar als een ander het niet doet, doe ík het maar”); de oudste van vijf kinderen onder wie een vooraanstaand redacteur van het Katholiek Nieuwsblad, orgaan van het rooms fundamentalisme; een schelmse vrouwendief en een onverschrokken opponent van de KLM, die hem — naar eigen zeggen — regelmatig „naait”, maar van wie hij wél jaarlijks voor anderhalf miljoen gulden pakt.

Een ongewoon type, kortom, die het geleden leed met een filosofisch oog beschouwt en ten afscheid zegt: „Achteraf ben ik blij dat het ongeluk mij zo jong, op mijn eenendertigste, en niet op mijn eenenzestigste heeft getroffen. Nu ben ik er vanaf en wacht mij nog een lang en gelukkig leven.”

LATJES: De ergste twee, drie maanden van mijn leven begonnen op vrijdag 16 oktober 1981. Ik wist dat het afgelopen was en ik besloot weg te gaan. Niet in de eerste plaats uit lafheid, maar uit pure machteloosheid. Ik had alles gedaan om de ABN te vermurwen me nog wat tijd te gunnen, maar het mocht niet baten. Ik moest die week wéér twintigduizend gulden van mijn rekeningcourant aflossen en die schuld heb ik betaald van het geld dat ongeveer vierhonderd klanten voor een reis hadden gestort, maar waarvoor zij nog geen ticket hadden gekregen. Ik ben die ochtend naar het districtskantoor van de ABN in Breda gereden om te proberen op het laatste moment nog een regeling te treffen, maar daar waren ze zó kwaad op me dat ik het lef had gehad hun allerhoogste baas in Amsterdam te bellen, dat ik niet verder dan de balie kwam. Ik wist dat mijn klanten binnen een paar uur hun tickets zouden komen ophalen. Ik wist dat die er niet zouden zijn. Ik wist ook dat ík dat niet kon helpen. Ik zal je later wel vertellen waarom, anders raken we de draad kwijt. Ik dacht: ik moet weg. Of moest ik soms ook nog mijn eigen executie bijwonen? Ik ben eerst naar mijn moeder gegaan om geld van haar te lenen, want ik wou niet het laatste beetje uit de kas van het bedrijf halen. Dat wou ik niet doen. Dan krijg je toch weer dat ik nog geld uit de kas had gehaald om te…

PLAYBOY: ….vluchten.

LATJES: ! Ik heb 8 of 10.000 gulden van haar geleend. Dat weet ik niet meer. Toen ben ik in mijn auto gestapt en naar Brussel gereden om daar het eerste het beste vliegtuig naar Londen te nemen. Die tocht in die auto was een verschrikking. Ik was totaal verdoofd. Het is de eerste keer dat ik hier met iemand over praat. Zelfs mijn eigen vrouw heb ik dit nooit verteld. Ik vind het ook erg moeilijk om die pijnlijke herinneringen weer op te roepen. Dat kun je je wel voorstellen, als je je land, je familie, je kennissen, alles moet achterlaten om in feite… om iets dat ik béter had kunnen regelen, maar te laat in de gaten had. Ik was tegelijk ontzettend boos op mezelf én machteloos over wat er was gebeurd.

PLAYBOY: Je bent dus naar Brussel gereden. En toen?

LATJES: Ik ben van Brussel naar Londen gevlogen en vandaar naar New York.

PLAYBOY: Naar New York? Waarom New York?

LATJES: Gewoon, Amerika, het land van de onbegrensde mogelijkheden. Er hadden al zo vaak managers van luchtvaartmaatschappijen tegen mij gezegd dat Nederland te klein voor me was en dat ik naar Amerika moest gaan. Nou, toen ik zo in de problemen zat, dacht ik: laat ik maar doen wat ze altijd hebben gezegd. Dat plan duurde niet lang. Ik heb de nacht doorgebracht in een hotel aan de rand van New York en de volgende ochtend mijn vriendin Nicole gebeld. Mijn vrouw Clasien en ik woonden nog wel samen, maar het boterde allang niet meer tussen ons. Ik heb Nicole gevraagd of ze naar Amerika wilde komen, maar dat wou ze niet. Ze wou me wel ergens in Europa ontmoeten om de situatie te bespreken. Dus ik weer terug. Ik trof haar de zondagochtend erop ergens in Zürich, maar ik liet me niet ompraten om terug te gaan naar Nederland. Ik zag er het nut niet van in. En misschien was het toch wel angst om me voor de leeuwen te gooien. Uiteindelijk heb ik Nicole zover gekregen dat ze met míj meeging naar Bombay, vandaar naar Bangkok en tenslotte toch naar Amerika. Naar Hawaii en Los Angeles. Overal bleven we een paar dagen hangen en in LA zijn we wat langer gebleven. Het was een treurige trektocht, een tot mislukken gedoemde poging om het verleden te ontlopen, en nergens voelden we ons ook maar één dag gelukkig of op ons gemak. Een maand na mijn vertrek hoorde ik dat het faillissement van de zaak was uitgesproken. Toen dacht ik: nou ga ik weer terug. Toen hebben Nicole en ik onze spullen gepakt en Californië verlaten.

PLAYBOY: Hoe reageerde je familie toen je Tilburg weer binnenstapte? Was er veel leed onder de Latjes?

LATJES: Nou, mijn ouders woonden in Valkenswaard en waren bovendien toentertijd tijdelijk gescheiden en mijn twee broers en zusjes woonden elders in Brabant, dus we kwamen elkaar niet elke dag tegen, maar ze hebben me eigenlijk nooit laten vallen. Ze wisten natuurlijk wat er was gebeurd, maar ze hebben me nooit verwijten gemaakt, terwijl ze er wel last van hadden, want de familienaam was behoorlijk besmet geraakt. Mijn vader heeft het er nog het moeilijkst mee gehad. Hij was PTT-ambtenaar en een trouw bezoeker van de katholieke kerk. Hij was bang voor zijn baan en bang voor het kerkvolk om wat er was gebeurd. Hij heeft zelfs een tijd met het plan rondgelopen zijn naam te laten veranderen. Het is eigenlijk nooit meer helemaal goedgekomen tussen ons. Hij is nu helaas overleden.

PLAYBOY: Had je nog vrienden over toen je terugkwam of waren ze plotseling allemaal verdwenen?

LATJES: Dat is niet tegengevallen. Toen ik ze nodig had, bleek ik er meer te hebben dan ik dacht. Een, die door mijn faillissement financieel verlies had geleden, heeft mij er later zelfs weer bovenop geholpen. Ik had dus méér goodwill overgehouden dan ik zelf had gedacht na alle verschrikkelijke verhalen gehoord te hebben die over mij de ronde deden. Ik was er met een miljoen vandoor gegaan. Ik had geld op geheime rekeningen. Ik logeerde in de duurste hotels. Ik had overal in het buitenland huizen. Allemaal gelogen. Ik had welgeteld één houten buitenhuisje in een park in Florida dat 60.000 gulden kostte en waarop ik 10.000 had aanbetaald. De rest was geleend en moest in dertig jaar worden terugbetaald. Bij een huis in Amerika denkt men misschien aan een prachtige bungalow op Malibu Beach met een zwembad in de achtertuin, maar zo zag mijn blokhut er bepaald niet uit. Er waren nog meer nare dingen. Opgeblazen artikelen in de pers; flauwe grappen in de trant van: Sinterklaas kan dit jaar niet komen, hij heeft bij Ad Latjes geboekt! Je leert wel incasseren als je die dingen hoort. Je slikt eens en je denkt: het gaat over mij, dat heb ik allemaal opgeroepen, komt dit nog ooit goed? Maar de grootste klap kwam op een vrijdag achter in november ’81 toen op één ochtend mijn persoonlijke faillissement werd uitgesproken — zakelijk was dat dus al eerder gebeurd — én mijn echtscheiding van Clasien. Alleen de duivel kan zo’n plot verzinnen. Het was echt om 11.30 de zaal in voor de ene affaire en om 12.00 een andere in voor de volgende. Ik kan er nu om lachen, hoewel nog niet echt smakelijk, maar tóén kon ik wel janken. Mijn ellende kon niet op. Job Latjes, dacht ik wel eens op een testamentisch ogenblik.

PLAYBOY: Wat deed je het meest van de twee?

LATJES: Het faillissement. De echtscheiding kwam namelijk minder onverwacht. In min of meer serieuze vorm dateerde die van de zomer van dat jaar en daar had ik me emotioneel al bijna een half jaar tegen kunnen wapenen. Het faillissement was verser, verraderlijker. Die wond was nog open.

PLAYBOY: Voelde je je schuldig tegenover die vierhonderd gedupeerden?

LATJES: Ja en nee. Ik weet voor mijn eigen geweten dat ik alles heb geprobeerd om het niet zover te laten komen. Ik heb dat geld van die mensen ook niet achterover gedrukt. In die zin voelde en voel ik me niet schuldig. Ik vond het meer lullig voor die mensen, snap je.

PLAYBOY: Je hebt wel eens gezegd dat je zelf veel méér hebt ingeleverd dan de mensen die je een reis door de neus had geboord.

LATJES: Dat heb ik inderdaad wel eens gezegd en zo is het ook. Voor die gedupeerden was het alleen maar een kwestie van geld. Voor de meesten althans. Er zijn altijd dramatische gevallen bij van mensen die jarenlang hebben gespaard en dan de reis van hun leven mislopen, maar over het algemeen waren het gelukkig mensen die er geen boterham minder om hebben gegeten. Ik weet dat omdat ik veel van die mensen, echt tientallen, later heb gesproken. Ik heb ze toen zoveel mogelijk schadeloos gesteld. Die mensen vertelden me allemaal hetzelfde verhaal: we waren indertijd enorm kwaad op je, maar we hebben op de een of andere manier nog een slinger aan die vakantie kunnen geven en we geloven je als je zegt dat je er niet met ons geld vandoor bent gegaan. Maar ik… ik heb er niet alleen niets aan overgehouden, ik ben alles kwijt geraakt wat ik had. Er waren momenten dat ik wou dat ik dood was, zo beroerd en berooid voelde ik me. De kleren aan mijn lijf, mijn verstand en mijn kennis van zaken, dat waren de enige dingen die ik nog had. En een bed. Een bed had ik mogen houden van de deurwaarder. Daar was ik blij mee.

PLAYBOY: Waar woonde je na het faillissement?

LATJES: Toen woonde ik in een flat van de gemeente. Van een bouwvereniging van de gemeente, geloof ik. Daar zat ik dan, met een uitkering van 1012 gulden en een kwartje en zonder werk. Het enige dat ik genoeg had was tijd. Kijk, weinig geld hebben is niet aangenaam maar draaglijk. Geen werk, ach, er zijn er zoveel zonder werk, maar het was de combinatie: vrouw kwijt, werk kwijt en met de nek aangekeken worden door mensen, die totaal niet wisten hoe de zaken in elkaar zaten. OK, ik heb fouten gemaakt natuurlijk, dat geef ik eerlijk toe, maar moet iemand zo dramatisch voor zijn fouten worden gestraft? Iemand die iets veel ergers doet, krijgt twee maanden en dan is het over. Ik was liever twee maanden de bak ingegaan. Je moet denken: Tilburg is een dorp waar je je niet kunt verstoppen en bovendien is er door de Tilburgse kranten véél uitgebreider aandacht aan mijn problemen besteed dan in de rest van Nederland en dáár was ik al zo bekend als de bonte hond. Ik was vogelvrij verklaard. Ik dacht dat ik alsnog gek werd.

PLAYBOY: Alsnog?

LATJES: Nou, toen ik een jaar of twaalf was, zei de dokter tegen mijn ouders dat ik gek was. Hij zei het niet zo cru; hij zei: die jongen moet naar Sterksel, maar iedereen in Brabant weet dat dat een zwakzinnigengesticht is. Achteraf denk je: die man is eh, dat is een lul van een dokter geweest, maar misschien is de goede man al jaren dood, dus eh… Hij had moeten weten dat ik epilepsie had overgehouden aan een inenting tegen pokken toen ik een jaar oud was. Eén op de zoveel kinderen overkomt dat. Ik moest pillen slikken, maar ik had toch regelmatig aanvallen. Dat ik voor pampus lag en dat ze de brancard moesten halen. Zo erg is het nu al in geen jaren geweest. Het gebeurt zo af en toe eens dat ik een paar minuten sterretjes zie, maar dan ga ik even liggen en dan gaat het vanzelf weer over.

PLAYBOY: Dat heb je dus aardig onder de knie gekregen.

LATJES: Ja, maar ik slik er al 38 jaar pillen voor. Maar vroeger, op de lagere school, was ik door die toestand moeilijk hanteerbaar. Ik liep nogal achter, omdat ik vaak lessen verzuimde, en zo kwam het dat ik voor gek werd verklaard. Daar was mijn moeder zéér gepikeerd over. Zij was de dochter van een trotse Brabantse boer en haar zoon ging dus onder geen enkele voorwaarde naar Sterksel. Nou, zei die dokter, Adje zal het misschien óók nog wel kunnen redden als hij naar kostschool gaat. Dat is toen gebeurd. Van 1961 tot 1968 heb ik op Saint Louis in Oudenbosch gezeten. Eerst de zesde en de zevende klas van de lagere school, daarna vijf jaar hbs. Zeven jaar lang om zeven uur opstaan. Dan konden we kiezen: naar de kerk gaan of studeren. Dus ik ging meestal naar de kerk. Dat vond ik nog de minst kwade van de twee. Het was een strak regiem. Duizend jongens en een stuk of wat broeders.

PLAYBOY: Was het niet vreselijk?

LATJES: Hoezo? In welk opzicht?

PLAYBOY: Nou, nergens meisjes, alleen maar broeders en mede-jongens. Dat is toch niet normaal.

LATJES: Ik denk inderdaad dat zo’n kostschoolleven je ontwikkeling tot mens een paar jaar vertraagt. Of opschort, laat ik het zo zeggen. Het heeft een opschortende werking en dat merk je aan eersteen tweedejaarsstudenten, maar ik vind niet dat het je onherstelbaar beschadigt.

PLAYBOY: Je haalt ze er anders zo uit, de kostschooljongens op latere leeftijd. Ze hebben iets schichtigs of juist iets kleverigs met vrouwen.

LATJES: (lacht luid) Nou, daar heb ik nooit last van gehad.

PLAYBOY: Dus eigenlijk vond jij het helemaal niet zo erg op die kostschool.

LATJES: Ik heb het nooit als een druk ervaren. Ik denk zelfs dat een paar jaar kostschool — zeven jaar is misschien wat overdreven — voor iedereen wel goed is. Je bent altijd onder elkaar en dan leer je rekening met elkaar te houden. En een beetje tucht doet geen mens kwaad.

PLAYBOY: Je hebt in Oudenbosch hbs-b gedaan en toen ben je naar de Katholieke Hogeschool Tilburg gegaan om daar economie te studeren.

LATJES: Ik had liever wis- en natuurkunde of scheikunde in Eindhoven gestudeerd, maar uit een of andere test in maart ’68 bleek dat ik beter economie kon gaan doen. Dat zou me wat gemakkelijker afgaan, dacht men. Als dát zo is, redeneerde ik, dan ga ik naar Tilburg, want ik ben liever lui dan moe. Ik kwam in september 1968 aan en in november of zo brak daar de revolutie uit, als eerste universiteit van Nederland. Er liepen in Tilburg veel linkse jongens rond. Het was het broeinest van Zuid-Nederland. De Karl Marx Universiteit heette de school zelfs even. Het was spannend om erbij te zijn. Op een afstandje dan, want ik was net eerstejaars en ik wist bij god niet waar het over ging. Ik was passief aanwezig.

PLAYBOY: Kwam natuurlijk door die kostschool!

LATJES: Nee, ik was gewoon een laatbloeier. Er waren jongens bij mij in de klas op de hbs die hartstikke actief waren en in allerlei leerlingenraden en feestcomité’s zaten. Daar heb ik nooit behoefte aan gehad. Maar van die jongens hoor je nu niks meer en van mij wél. Ik moet altijd eerst even warm draaien, maar als iets me dan pakt of uitdaagt of als ik denk dat ik het gelijk aan mijn kant heb, dan douw ik ook dóór. Zoals met die reizen. Ik had in 1970 al een reisbureautje op de Hogeschool. Ik zag om me heen dat er behoefte aan reizen was, maar ik wist ook hoe duur dat was. Nou, dan prikkelt het mij om daar een oplossing voor te vinden. Ik moest een middel zien te vinden om goedkoop te reizen.

PLAYBOY: En zo is Ad Latjes geboren.

LATJES: De zakelijke Ad Latjes is daar ontstaan, inderdaad. Het begon met het verkopen van tickets van jeugdreisbureaus op de Hogeschool. Sinbad, een reisbureau voor jongeren in Eindhoven, was de eerste. Ik zei: wat krijg ik als ik jullie tickets hier in Tilburg verkoop? Dat was twee gulden per kaartje. Dat heb ik gedaan tot ik in 1971 naar Amerika ging. Ik heb daar eerst een tijdje tomaten geplukt om de reiskosten, die toen nog twee, drieduizend gulden waren, terug te verdienen. Maar ik liep al vrij gauw een zonnesteek op, want het was werkelijk bloedheet waar ik was. Toen ben ik met de bus naar Los Angeles gegaan en daar kwam ik in contact met een hele grote ijsboer die ik weet niet hoeveel karretjes had en die voor het volgende seizoen wel veertig werkstudenten uit Nederland kon gebruiken. Die moesten dan ijs verkopen in Disneyworld, in honkbalstadions of bij grote evenementen en konden dan ongeveer tweeduizend gulden in de maand verdienen. Dat was een fors bedrag en ik zei tegen die ijsboer dat ik in de zomer van ’72 met veertig collega’s terug zou komen. Het enige probleem was de dure reis. Wat je verdiende moest je weer uitgeven aan een ticket. Dat was niet interessant. Dat bleek wel uit de reacties na mijn terugkeer in Tilburg. Ik werd dus eigenlijk gedwongen om links en rechts te kijken of er niet ergens een goedkopere manier was om naar Amerika te gaan.

PLAYBOY: Een ander zou gezegd hebben: zoek het zelf maar uit. Maar jij gaat dan proberen een handig weggetje te vinden.

LATJES: Ja, zoeken, hè. Dat heb ik altijd wel een leuke sport gevonden. Via via kreeg ik te horen dat Londen dé grote markt was voor die goedkoper lidmaatschapsreizen en dat er misschien wel wat te ritselen viel. Dat klopte, want toen ik daar in maart ’72 aankwam, bleek Londen ook de markt voor lidmaatschapskáárten te zijn. Die dingen droegen de handelaars bij tientallen in hun kontzak om ze er een beetje beduimeld en verfrommeld uit te laten zien. De kaarten moesten immers minimaal een half jaar oud ogen. Een oude datum erop, naam erop, afrekenen en als lid met de eerstvolgende goedkope emigrantenvlucht mee. Zo ging dat daar. En die emigrantenvlucht was ook maar schijn. Het was pure discount. Ik denk dat in Londen het onder de prijs verkopen van tickets over de hele wereld eind ’71 is begonnen. Dat wist niet iedereen. Ik wist óók niet dat het bestond, ik wist sowieso nog niet zoveel van de reiswereld, maar ik liep er gewoon tegenaan.

PLAYBOY: Kom, kom, niet zo bescheiden.

LATJES: Nee, ik zocht alleen een goedkope reis naar Amerika voor veertig studenten. Pas in Londen gingen mijn ogen open. Die jongens daar zeiden: we willen je best New York of LA verkopen, maar je kunt ook Bombay en Johannesburg krijgen, je zegt het maar. Nu had ik al begrepen dat er studenten waren die er niets voor voelden ijs te gaan verkopen in Amerika, maar wél goedkoop over de wereld wilden zwerven. Tegen die collega’s mocht ik geen nee zeggen. Vandaar dat ik in maart ’72 na terugkeer uit Londen in Tilburg begonnen ben de rest van de wereld te verkopen. En wel sterk onder de officiële prijs. Een van mijn eerste stunts was Johannesburg voor 1295 gulden. Daar is het mee begonnen. En ik had meteen al ruzie met de Franse luchtvaartmaatschappij UTA, die Parijs-Johannesburg voor vier- tot vijfduizend gulden verkocht, precies weet ik het niet meer. Ik kocht een ticket Londen-Parijs-Johannesburg in voor 1200 gulden en ik verkocht het met 95 gulden winst, maar dan moesten mijn klanten wel in Londen opstappen en in Parijs overstappen. Dat deden ze niet. Ze gingen rechtstreeks naar Parijs met de trein, want dat kostte maar 27 gulden, en meldden zich dan vrolijk fluitend aan de balie van UTA met een kaartje van minimaal een derde van de officiële prijs. De man die daar toen mee werd geconfronteerd, is nu manager van dezelfde Franse maatschappij in Amsterdam en hij is nog steeds boos op me. Na achttien jaar.

PLAYBOY: Je trekt je daar nú vermoedelijk weinig van aan, maar toen?

LATJES: Ik had te weinig benul van de reisbusiness om bang te zijn. Onkunde is soms een zegen. Ik wist niet eens wat het officiële tarief was van de tickets die ik discount kocht. Echt, ik was net begonnen en ik werd niet gehinderd door enige kennis van het uitermate gecompliceerde reiswezen. Het enige dat me opviel was dat er veel belangstelling voor mijn handel bestond. Vanaf het voorjaar van 1972 was ik elke dag van zes tot zeven uur ’s avonds open om reizen te verkopen. Ik zat één hoog op een studentenkamer en in dat ene uur stond de hele trap vol, van beneden tot boven, met reislustige studenten.

PLAYBOY: Wat zat er nou werkelijk achter, achter dat reisbureautje? Een leuke tijdpassering? Winstbejag?

LATJES: Zeker geen winstbejag, want toen was er nog nauwelijks sprake van winst. De trap stond wel vol bij mijn hospita, maar ik had ook kosten en die wogen aardig op tegen de inkomsten. Later ging het beter, maar in het begin was het …ja, behalve de uitdaging tóch een beetje sociaal gevoel dat me dreef. Misschien, omdat ik dat op kostschool had geleerd. Ik weet het niet. Ik denk dat het er wel mee te maken heeft. Ik was betrokken bij mensen en problemen. Een paar jaar vóór ik met die reizen begon, schreef ik onder het pseudoniem PFA, dat betekende Peace For All, brieven naar wereldleiders om ze te bewegen fatsoenlijk te regeren. Zo zat ik toen in mekaar. Vredesapostel. Ik had ook een collectebus op mijn kamer staan. Als er iemand kwam, kon die er geld in doen.

PLAYBOY: En van de opbrengst ging je naar het café,

LATJES: Was het maar waar. Man, ik was zó braaf, eind jaren zestig, dat ik eens in de maand dat geld wérkelijk overmaakte naar een goed doel.

PLAYBOY: Hoe dan ook, de onderneming die je nu drijft is eigenlijk een uit de hand gelopen studentengrap.

LATJES: Ja, ja, dat klopt wel. Ik ben in die handel gerold omdat ik mezelf en mijn medestudenten een plezier wilde doen, maar gaandeweg raakte ik gefascineerd door het feit dat ik dingen begon te weten op het gebied van goedkope reizen die niemand anders in Nederland wist. Ik raakte langzamerhand thuis in het doolhof van de schaduwhandel in afbraakprijzen. Waar ter wereld wordt het goedkoopste ticket aangeboden? Die bizarre kennis kreeg ik nadat ik op het juiste moment, namelijk in ’72, per ongeluk in Londen tegen de juiste mensen was aangelopen. Mijn verdienste is dat ik het toeval vervolgens een handje heb geholpen.

PLAYBOY: Ben je nog steeds de enige in de Nederlandse reiswereld die de weg weet in het goedkope doolhof?

LATJES: Ja en dat is toch eigenlijk een blamage voor de andere reisbureaus. Ik ging failliet, maar niemand pakte de kans of liever gezegd niemand zág de kans het gat op te vullen dat ik had achtergelaten. Ik heb het na een tijdje zelf maar weer gevuld.

PLAYBOY: Waarom bestaat er zo’n schaduwmarkt in tickets en waarom weten andere reisbureaus daar de weg niet? Zou je dat kort en helder willen uitleggen? En vervolgens waarom je zelf de weg kwijtraakte. En weer terugvond?

LATJES: Ik zal het proberen. In het begin van de jaren zeventig verschenen de jumbo’s in de lucht met 400 in plaats van met 100 of 200 stoelen. Die stoelen moesten allemaal bezet worden en liefst het hele jaar door. Dus begonnen alle maatschappijen, niet één uitgezonderd, buiten het eigen land speciale, lage tarieven aan te bieden om de lege stoelen te vullen. Die gooiden ze in de aanbieding, met een korting van 50 tot 70 procent. Liever ’n half ei dan een lege dop. Dat geldt vandaag de dag nog steeds. Vooral in het laagseizoen. De mensen die op die goedkope tickets afkomen zijn vaak jongeren, studenten, maar ook welgestelde, ouderen die het niet kan schelen dat zij tot het rugzakpubliek worden gerekend en die er niet tegenop zien om twee keer over te stappen. De markt van die uitverkooptickets is een hele rare markt. De maatschappijen die hun eigen prijzen dumpen, handelen daarmee in strijd met de afspraken van hun internationale organisatie en willen eigenlijk niet weten dat zij zich met onreglementaire praktijken bezighouden. Maar iedereen weet van iedereen dat hij het doet, al houdt men zich in het openbaar van de domme. De schijnheiligheid ten top! Het is dan ook heel vermakelijk om te zien hoe men mij op recepties of beurzen mijdt. Daar heb je Latjes, zegt men dan, ik ben benieuwd met wie hij nu weer in zee gaat. De mensen die dat tegen elkaar vertellen, kom ik een paar dagen later tegen om zaken mee te doen. Ik speel de rol van zondebok en iedereen weet dat. Er is een haat-liefdeverhouding tussen mij en de luchtvaartmaatschappijen. In het hoogseizoen hebben ze me niet nodig, maar in het laagseizoen spelen zij mij hun shit-tarieven toe en zorg ik dat hun vliegtuigen vol komen.

PLAYBOY: Dus in het hoogseizoen heb je niet te eten.

LATJES: Valt mee, want als het hier zomer is, is het elders winter. En omgekeerd. Er wordt voortdurend wereldwijd gestunt en gedumpt en dat betekent dat er altijd wel handel is, alleen moet je weten wáár. En het gaat niet alleen om de prijs, maar ook om de geldigheidsduur van een ticket. Dat is belangrijk voor mensen die lang onderweg zijn. Het kan zijn dat een 45-daags tarief naar Zuid-Amerika op ’n zeker moment in Amsterdam het voordeligst is, maar dat dezelfde maatschappij dezelfde bestemming op hetzelfde moment maar dan voor 90 dagen het goedkoopst in Frankfort aanbiedt en voor een jáár in Zwitserland, terwijl de omgekeerde route, dus vanuit Zuid-Amerika naar Europa, het voordeligst in Los Angeles te krijgen is. De belangrijkste discountmarkten zijn Londen, Brussel, Singapore, Parijs, LA, Miami en Duitsland. In die jungle moet je de weg weten. Dat kun je onmogelijk alleen. Daar heb je internationale collega’s voor nodig, net zulke discount-vogels als ik. Via die mensen heb ik dagelijks contact met 92 verschillende luchtvaartmaatschappijen over de hele wereld en weet ik precies welke koopjes en aanbiedingen er zijn. Dat gaat per fax, ik betaal ook per fax en de tickets krijg ik per koerier aangeleverd, snap je? En dan snap je natuurlijk ook wel dat dit netwerk van internationale collega’s de deur zoveel mogelijk voor buitenstaanders dichthoudt en ervoor zorgt dat zijn handel voor outsiders ondoorgrondelijk en ontoegankelijk blíjft. Dat monopolie-principe had ik al vroeg door. Ik dacht: ik ben de eerste en enige in Nederland die dit gat in de markt heeft ontdekt. Als ik die voorsprong wil houden, moet ik van de daken schreeuwen dat Ad Latjes de goedkoopste is. En ik begon op een waanzinnige manier te adverteren. Dat deed daarvoor niemand in de reiswereld. Dat was namelijk niet nodig. Als jij iets verkoopt dat in elke winkel hetzelfde kost, heeft het geen zin te adverteren. En iedereen verkocht dezelfde tarieven op dezelfde voorwaarden. Dat doe ik óók wel, maar de internationale import is toch mijn handelsmerk.

PLAYBOY: Jij ontdekte ook de computer als advertentie-medium.

LATJES: Ja, maar dat was al wat later. In september ’79 had ik mijn eerste advertentie op Viditel. Het kan zijn dat mijn belangstelling voor de exacte wetenschappen hier een rol speelde, maar ik raakte totaal in de ban van de computer en op een goed moment had ik 8000 pagina’s informatie in het scherm staan. Die kon iedereen die zelf een computer had oproepen. Een pagina is 24 regels lang en 40 aanslagen breed. Kun je nagaan wat een bende gegevens dat was. Daar heb ik maanden aan gewerkt: prijzen, bestemmingen, hotels, toeristische tips, maar ook honderden pagina’s belgenmoppen om toch vooral maar op te vallen.

PLAYBOY: Ondertussen was je ook nog etherpiraat.

LATJES: Ja, begin ’80 heb ik een radiozender op het dak gezet en die heeft drie maanden lang dag en nacht non-stop muziek en reclameteksten gedraaid. Ik heb ook nog drie weken een illegaal tv-station gehad. Ik had een zender op het dak staan, precies in de straal van Duitsland 2. Als Duitsland 2 ophield, sprong mijn zender aan en kon ik films uitzenden. Ik heb alle James Bond-films getoond, The Bridge on The River Kwai, enfin, de hele Tilburgse videotheek.

PLAYBOY: Was dat geen dure liefhebberij?

LATJES: Een complete, professionele televisiezender kostte toen 7000 gulden. Dat was niet duur, vergeleken met mijn reclame-bereik. Ik wilde alle technische mogelijkheden benutten om mijn bedrijf bekendheid te geven. Als er iets nieuws was dat ik kon gebruiken en dat ik kon betalen, ging ik er net zo lang achteraan tot ik het had.

PLAYBOY: Terug naar Tilburg anno 1972.

PLAYBOY: Na mijn kandidaats economie heb ik nog even gestudeerd, maar ondertussen liep het zo lekker met die tickethandel dat ik daar geen serieuze studie meer naast kon doen. Die heb ik toen laten schieten. Ik moest mensen in dienst nemen. We huurden een verdieping in de binnenstad. Vanaf dat moment ging het alleen maar crescendo. In de jaren die volgden groeide mijn reisbureautje uit tot een onderneming met 12 meisjes die de hele dag reizen zaten te verkopen, met een omzet van 16 miljoen per jaar en met drie gekochte panden: een sporthal en een kantoorpand in Tilburg en een zaak in de Leidsestraat in Amsterdam waar Clasien, met wie ik inmiddels was getrouwd, de leiding had. Tilburg liep uitstekend, maar Amsterdam was een gekkenhuis in die dagen. Ik spreek nu van tien jaar terug. Het was lopende bandwerk. Iemand die een eenvoudige reis boekte was binnen tien minuten klaar, iemand die rond de wereld ging binnen een half uur en nóg stonden de mensen gemiddeld twee, tweeëneenhalf uur te wachten voor ze aan de beurt waren om bij Ad Latjes een reis te boeken. We hadden een nummertjes-machientje nodig om geen ruzie te krijgen onder de klanten die van heinde en ver naar ons toe waren gekomen vanwege de naam, de reclame, de drukte en de gezelligheid.

PLAYBOY: Zei je dat je een sporthal had in Tilburg?

LATJES: Ja, maar het ging mij niet om die sporthal zelf; die verhuurde ik voor 30, 40 gulden per uur en die was na vijf maanden al break even. Het ging mij om de kantoren die erbij hoorden en die bijna net zoveel ruimte hadden als de hal. Ik had dat hele zaakje gekocht omdat het pand waarin ik zat ook al te klein dreigde te worden.

PLAYBOY: Nam je niet teveel hooi op je vork met al die hallen en panden? En huizen in Amerika?

LATJES: Jij praat al net zo overspannen als de kranten indertijd. Ik heb je precies verteld wat ik aan onroerend goed had. Wat ik niet cash had betaald, had ik onder andere gefinancierd met een rekening-courant van vier ton bij de ABN in Tilburg. Die kantoren had ik gewoon nodig om mijn bedrijf te kunnen runnen, maar bovendien vormden ze een soort buffer voor het geval de zaak op de fles zou gaan. Ironisch genoeg was dat destijds een van de belangrijkste overwegingen, naast ruimtegebrek, om die panden te kopen. Als wild reisbureau was ik niet aangesloten bij het garantiefonds. Met die huizen had ik mijn eigen garantiefonds dacht ik. Dat deze redenering zich tegen mij zou keren en tenslotte mijn faillissement zou betekenen, is weer zo’n gril van het lot waar je verstand bij stilstaat. Wat dat betreft heb ik op mijn veertigste meer van het leven geleerd dan menigeen op zijn tachtigste.

PLAYBOY: Waaraan ben je dan in 1981 wél kapot gegaan?

LATJES: Aan de KLM. Die had zo’n godsgruwelijke hekel aan mij gekregen dat zij de ABN, haar huisbankier, heeft gevraagd mij financieel de nek om te draaien. De voorgeschiedenis was, heel in het kort, de volgende: door mijn driftige advertentiecampagne waren op een gegeven moment de discountprijzen bekender geworden dan de officiële prijzen. De mensen zeiden tegen hun reisbureau: waar jij 4000 gulden voor vraagt, kan ik bij Ad Latjes voor 1250 gulden krijgen. Hoe zit dat? Reisbureaus kwaad. Die gingen bij de luchtvaartmaatschappijen klagen en vooral bij de KLM, want die was de duurste. Logisch, want nationale luchtvaartmaatschappijen zijn in het eigen land per definitie de duurste. Die vliegen namelijk rechtstreeks en met de hoogste frequentie op allerlei bestemmingen en brengen dat in rekening. Ik bied al 17 jaar Londen-Amsterdam-Accra per KLM aan voor 2400 gulden, terwijl de KLM voor Amsterdam-Accra 4300 vraagt! Ander voorbeeld. Een 3-maands-ticket Londen-Amsterdam-Delhi met de KLM verkoop ik voor f 1900. Voor een kaartje Amsterdam-Delhi van dezelfde duur rekent de KLM 4500 gulden. De KLM heeft altijd dubbel verkocht. Sterker, zij was een van de eerste maatschappijen op de Londense discountmarkt, maar daar kraaide nooit een haan naar. Totdat ene Latjes dat dóór kreeg. De KLM begon mij dus lichtelijk te haten en zon op een manier om mij te naaien. Tegen het einde van de jaren zeventig hoorde ik op elke beurs dat de KLM bij mij langs zou komen en met de vuist op tafel zou slaan. Dat deed ze natuurlijk niet, bij gebrek aan juridische middelen, maar ze verziekte wel de stemming. Ik weet nog, *t was januari 1981, dat ik op de vakantiebeurs in Utrecht met de manager van British Airways in Nederland stond te praten toen er iemand van de KLM passeerde. De volgende dag werd die Engelsman door de KLM gebeld dat hij problemen zou krijgen als hij contact met mij, Ad Latjes, zou blijven onderhouden. Onbeschoft is dat, hè. Ik ben toen zo kwaad geworden dat ik het eerste het beste tarief van de KLM heb gepakt — een van 700 gulden, ik weet niet eens meer waarheen — en dat voor f 650 in de Telegraaf heb aangeboden. Onder mijn eigen naam, maar ik liet erbij zetten: Met de KLM! Het kostte me 50 gulden per ticket, maar ik bereikte er mee dat alle reisagenten de KLM opbelden met de opmerking: wij mogen van jullie geen zaken doen met Ad Latjes, maar zelf doe je het wél en je geeft hem nog 50 gulden korting ook. Ik smaakte het genoegen dat de KLM over deze zaak een kort geding begon, dat eindigde in een schikking van rechtbankpresident Asscher.

PLAYBOY: Maar uiteindelijk trok je toch aan het kortste eind?

LATJES: Ja, want de KLM ging ondergronds wroeten, net als een mol. Dat wist ik toen uiteraard niet. Dat heb ik pas later gehoord. Wat was het geval? KLM-president Sergio Orlandini heeft als commissaris van de ABN in het voorjaar van 1981 tegen ABN-president Batenburg gezegd: je moet dat kredietkraantje van die Latjes maar eens dichtdraaien. Dit opzetje van de KLM is twee jaar later door de KLM-directeur Nederland tegenover enkele mensen van de pers onthuld en hij zei er meteen achteraan: maar daar was ík niet verantwoordelijk voor, hoor, daar had ík niets mee te maken. Ik zou dat een-tweetje tussen de KLM en de ABN wel kunnen bewijzen, maar een proces in Nederland heeft geen zin. Je schiet er financieel niets mee op. Het is ook logisch, want waarom zou de ABN in Tilburg anders die rekening-courant met mij hebben opgezegd. Ik moest plotseling elke week twintig mille aflossen en als je drie ton netto per jaar verdient kun je niet vier ton binnen een paar maanden betalen. Dat wisten ze daar ook wel.

PLAYBOY: Gaf de ABN geen verklaring voor haar gedrag?

LATJES: Nee, dat hoeft ook niet. Een rekening-courant kan per dag worden opgezegd. Normaal doet geen bank dat, zeker niet als de cliënt een goedlopende zaak heeft en elke maand netjes zijn rente betaalt, maar in dit geval gebeurde het dus wel. Ik heb natuurlijk geprotesteerd en tegen de man van de ABN in Tilburg gezegd: als je dit doorzet, ga ik failliet. Weet je wat hij zei: ach meneer Latjes, iedereen gaat tegenwoordig failliet. Hij had volkomen gelijk, want 1981 en 1982 waren fantastische faillissementsjaren. Zaken gingen bij bosjes op de fles, ook reisbureaus, maar ik had toevallig geen problemen. Totdat de KLM mij kapot maakte. Zij ontkent dat natuurlijk officieel. Tegen een vriend van mij zei iemand van de KLM later: wij hebben wel wat anders te doen dan onze topjongens met elkaar te laten smoezen over zo’n kleine grabbelaar als Ad Latjes.

PLAYBOY: Maar jij weet het honderd procent zeker?

LATJES: Ja. De KLM wilde me kwijt. Eind ’79 had ze al geprobeerd mij uit te kopen. Dat was tijdens een beurs in Londen. De hoogste baas in Europa van de nationale Peruviaanse luchtvaartmaatschappij nodigde me toen uit voor een diner in het Ritz Hotel, een van de duurste in Londen. Na urenlange verhalen kwam hij met de boodschap dat hij door de KLM was gemachtigd mij vijf miljoen dollar, tien miljoen gulden, te bieden als ik bereid was mijn handel te staken. Ik heb hem duidelijk gemaakt dat ik dat niet van plan was, maar vanaf dat moment was het water en vuur tussen mij en de KLM. Dat gesprek in het Ritz Hotel had me voorzichtig moeten maken. Ik had, zeker na het kort geding met de KLM in 1981, wijzer moeten wezen. Ik had mijn schuld bij de ABN waterdicht moeten maken. Niet via zo’n wankele rekening-courant. Dat was mijn achilleshiel. Een langlopende financiering of een bv voor het onroerend goed, was beter geweest, maar ik was op dat moment ook een groentje van net dertig. Dat had ik als student niet geleerd, wist ik veel. Ze hadden me te grazen. Dat wist ik wél, maar ik kon er niets tegen doen. Dat bedoelde ik met mijn opmerking in het begin van dit gesprek: ik kon het niet helpen dat ik langzaam naar de verdommenis ging. Het waren verschrikkelijke tijden, zowel persoonlijk als zakelijk.

PLAYBOY: Kon je niet bij een andere bank terecht?

LATJES: Dat heb ik geprobeerd, maar zodra ze bij de ABN gingen informeren wat er aan de hand was, was het verkeken. Die jongens dekken mekaar allemaal.

PLAYBOY: Kon je ook niet gauw iets verkopen?

LATJES: Heb ik natuurlijk óók geprobeerd, maar de onroerend goedmarkt was in ’81 volledig ingestort. Dus uit die hoek kwam ook geen redding, althans niet op korte termijn. Daar ging mijn goedbedoelde garantiefonds! We hebben echt alles gedaan, mijn vrouw en ik, om de zaak te redden. We hebben met luchtvaartmaatschappijen gepraat en die waren allemaal, behalve de KLM, bereid ons een maand of zo krediet te geven. We waren tenslotte een goede klant, soms de beste, maar het was allemaal niet genoeg om te overleven.

PLAYBOY: Om hoeveel geld ging het?

LATJES: Ik had net als iedere zakenman langlopende schulden, maar ik denk als we op dat moment misschien een halve ton… zoiets ja. Dat was misschien nét genoeg geweest op de korte baan. In mijn wanhoop heb ik president-directeur Batenburg van de ABN in Amsterdam nog gebeld om uitstel van betaling te krijgen, maar zijn secretaresse belde als een haas haar collega in Breda en in no time stond iedereen op tilt. Toen ik bij het districtskantoor van de ABN in Breda kwam om te proberen op het laatste moment 30.000 gulden te lenen, was iedereen daar ten zeerste gepikeerd. Waar ik de treurige moed vandaan had gehaald. Dat was vrijdag 16 oktober 1981 om 11 uur ’s ochtends. Het was afgelopen, snap je?

PLAYBOY: Toen ben je hem gesmeerd.

LATJES: Toen eh… ja, zo zie ik het niet, maar eh… Ik wist gewoon wat er ging gebeuren en als de mijnopruimingsdienst iets opblaast ga je er ook niet met je neus op staan om te kijken of ze het wel goed doen. Ik had alles gedaan wat ik kon. Ik moest weg om mezelf een beetje te beschermen, want ik voelde me klote. Iets dat ik in tien jaar had opgebouwd… dat zoiets moois in één dag kapot was gemaakt, daar heb ik om gehuild. Daar huil ik nu weer om. Want er wordt wel gepraat over die 400 gedupeerden, maar nooit over de 60.000 klanten die in de jaren zeventig via ons veilig en goedkoop over de hele wereld hebben kunnen reizen. Ik had mijn nek uitgestoken en nu werd mijn kop afgehakt. Kijk, je mag mij doodschieten omdat ik failliet ben gegaan op voorwaarde dat je ook iedereen doodschiet die niet het risico heeft gelopen om failliet te gaan. Als je niets goed doet, kun je ook niets fout doen.

PLAYBOY: Hoe denk je dat de mensen over je denken?

LATJES: Toen of nu?

PLAYBOY: Nee nu. Dat van toen weten we nu wel. Ik bedoel, op een verjaardag valt jouw naam. Iemand zegt: ik ga lekker volgende week met Ad Latjes naar Bangkok. Hoe denk je dat de reactie zal zijn? Met die zwendelaar, die tiller…

LATJES: Nou, degene die bij mij heeft geboekt zal mij zeker geen zwendelaar vinden.

PLAYBOY: Nee, dat is nogal logisch, maar de rest van de familie?

LATJES: Het soort mensen dat nooit op reis gaat naar de bestemmingen die wij verkopen zal wel negatief denken. Die mensen kennen Ad Latjes niet uit eigen ervaring. Die kenden Ad Latjes ook niet vóór hij failliet ging. Die denken negatief, daar ben ik van overtuigd, want die hebben allen maar de kranten gelezen en de roddelverhalen gehoord. Maar de duizenden die vroeger bij mij hebben geboekt, hebben een positieve houding. Die komen nu wéér. Anders zou ik nu geen omzet van zes miljoen gulden per jaar hebben. Daar moet je 4000 tickets voor verkopen.

PLAYBOY: En hoe denk je dat de collega’s over je denken?

LATJES: Naar de buitenwereld toe, tegen de journalisten, roepen ze natuurlijk dat ik een klootzak ben. Dat is altijd al zo geweest. Grote bek, Latjes dit en Latjes dat, maar tegenover míj geven ze vaak toe dat ze wel bewondering hebben voor wat ik doe. Zelfs van mensen van wie ik dat niet had verwacht, hoor ik dat wel eens. Maar wel tussen vier muren en onder vier ogen.

PLAYBOY: Je moet écht gek zijn om na alles wat je hebt meegemaakt vrijwillig in deze handel terug te keren. Waarom heb je dat in hemelsnaam gedaan?

LATJES: Omdat ik het ondanks alles leuk vind, natuurlijk. Zo’n zaak weer opbouwen, mijn eigen reclameteksten schrijven, dingen doen die anderen niet doen of niet kunnen, dat ligt me wel. Tegen de stroom oproeien… van niets iets maken is best spannend. En ik had een unieke kennis van zaken, en een bende contacten, die laat je ook niet zomaar braak liggen. Die wilde ik benutten, laten zien dat ik er nog was.

PLAYBOY: Stel, je hoefde je niet zo nodig opnieuw te bewijzen. Je had geld genoeg en die reiswereld kon je gestolen worden. Wat zou je dan het liefste doen?

LATJES: Artiest worden. Ik zou graag liedjes maken en die dan zelf zingen. De melodie zou iemand anders moeten verzinnen, dat is een apart vak, maar lekker zingen zou me wel lijken. Ik weet dat het keihard werken is, knokken om een plekje te veroveren, maar dat doe ik nu ook.

PLAYBOY: Heb je wel eens gezongen, buiten de badkamer?

LATJES: Ja, één keer. Dat was met carnaval 1982. Toen had ik toch niets anders te doen. Ik heb een plaatje volgezongen op bestaande teksten en wijsjes. Het had niets met de reiswereld of met mezelf te maken, maar toen uitlekte dat ík de zanger was zond de VARA een stukje uit met als commentaar: dit was Ad Latjes met The Tickets en het Koor van Gedupeerden. Een grapje waar ik wel om kon lachen. De ergste pijn was toen wel voorbij.

PLAYBOY: Heb je wel eens een liedje geschreven?

LATJES: Nee, het is er tot nu toe niet van gekomen. Ik heb al mijn energie nodig voor mijn werk. Je moet steeds iets nieuws bedenken. Ik wil bijvoorbeeld weer gaan doen wat ik al eerder heb gedaan, maar nu in combinatie met de sprekende computer. Vier jaar geleden, toen de dollar op vier gulden stond, adverteerde ik in een aantal Amerikaanse kranten dat men van 4 uur ’s nachts tot 12 uur ’s middags Newyorkse tijd gratis naar Amsterdam kon bellen om voor een koopje een reis te boeken. Dat leverde bij ons tussen 10 en 6 uur werkelijk honderden aanvragen voor informatie op. Ik moest de telefoon wel betalen, dat was toen 4 gulden 75 per minuut, en 25 dollar voor de tarievenlijst, maar ik nam toch standaard 800 gulden winst op een ticket. Tenminste in het begin. Toen de dollar ging zakken werd dat minder en uiteindelijk ben ik er tienduizend gulden bij ingeschoten. Een probleem was bovendien, dat ik ’s zondags op kantoor moest zitten om al die bellers te woord te staan. Dat wil ik nu de computer laten doen. Die kan dan naam en adres van die gratis telefonerende Amerikanen opnemen, day and night, en dan stuur ik later de gegevens op van onze rond-de-wereld-routes, de enige reizen die nog interessant zijn op de Amerikaanse markt. Die kan ik namelijk aanbieden voor 1198 dollar, terwijl ze in Amerika 2000 dollar kosten. Daar kan wel een telefoontje vanaf. De klanten laat ik 100 dollar opsturen. De rest moeten ze in Amsterdam betalen als ze hun ticket ophalen. Dat zit ik nu te bedenken, maar dan moet ik eerst wat meer software hebben voor die speciale sprekende computer. Een naam heb ik al voor hem: Marco Polo.

PLAYBOY: De enige man onder je computers.

LATJES: Ja, die andere heten Wendy, Bianca, Linda en Wanda. Naar mijn dochter en naar de meisjes die het langst bij mij werken.

PLAYBOY: Kost het geen vermogen, dat adverteren en die computers?

LATJES: Een computer, compleet met software, kost 3500 gulden, zeg maar het maandsalaris inclusief sociale lasten van één meisje. Voor die prijs plus 21 gulden per maand voor de PTT kan ik hem 365 dagen en nachten inzetten zonder dat de Dienstenbond FNV protesteert. Daardoor kan ik bovendien het aantal levende dames op zes houden. Het adverteren in Nederlandse en Amerikaanse kranten kost anderhalve ton per jaar en voor m’n zestig pagina’s teletekst op Sky- en Super Channel betaal ik 70.000 gulden per jaar. Maar die verhuur ik voor ongeveer datzelfde bedrag weer dóór aan Zwitserse, Duitse, Deense en Engelse reisbureaus. Wat dat betreft speel ik quitte. Geld gaat er dus eigenlijk alleen zitten in de papieren reclame: Telegraaf en zo én de International Herald Tribune, maar met die krant bereik ik wél heel Europa en een deel van het Midden-Oosten. Toch komen de meeste klanten zó van de straat in Amsterdam, denk ik. Passanten, buitenlanders die tegen de reclameborden voor mijn deur oplopen dat ik de goedkoopste ben.

PLAYBOY: Kun je in telegramstijl vertellen hoe je na je faillissement weer terugkwam in de reiswereld?

LATJES: Ik heb eerst twee valse starts gehad. De eerste duurde een maand en de tweede een jaar. Maar om bij het begin te beginnen: in april 1982 durfde ik mijn gezicht weer te laten zien en samen met Sjef Brouwers begon ik op het Piusplein in Tilburg een reisbureau, heel origineel, Reisbureau Tilburg geheten. Brouwers was café-eigenaar en hij had veel geld, maar hij zag er niet uit en praatte zo plat als maar kon. Hij had meteen een groot bureau gekocht en een dikke stoel en daar zat hij de hele dag op. Nee, daar was echt niets mee te beginnen. Het probleem van mensen met centen is dat ze denken alles te kunnen kopen. Maar know how en relaties zijn veel belangrijker. Ik kwam er nauwelijks aan te pas; dat ging dus al gauw mis. Vier maanden later, september ’82, ben ik in zee gegaan met Rob Dam. Op de Nieuwe Zijds in Amsterdam openden we het reisbureau Atlantis, maar het probleem met Dam was dat hij juist géén geld had. Hij beloofde steeds de vijfentwintigduizend gulden te dokken die nodig waren om legaal, via de Kamer van Koophandel, te kunnen draaien, maar betalen, ho maar. De Economische Controledienst kwam erachter en ik werd door de rechter tot twee maanden voorwaardelijk en een boete van twaalf mille veroordeeld, want ik had de papieren en de zaak stond op mijn naam. Ik heb er jaren over gedaan om dat bedrag af te betalen.

PLAYBOY: Dacht je niet: nondeju, daar gá ik weer?

LATJES: Ja en daarom ben ik ook weggegaan. Meteen opgestapt, snap je?

PLAYBOY: Nou nee, want je hebt een vol jaar met die Dam doorgemodderd. Hoe kwam het nu dat je tot twee keer toe de verkeerde man trof? Ben je zo naïef, zo goed van vertrouwen of is het pure zelfkwelling?

LATJES: Kijk, als er nou duizend man voor de deur staan te trappelen om zaken met je te doen kun je selectief zijn, maar als er maar één of twee zijn ligt dat heel anders. Dat is logisch. En ik wilde dolgraag weer aan de slag. Misschien ben ik inderdaad wel te goed van vertrouwen of zo. Achteraf gezien had ik beter meteen bij Ruud Storm kunnen aankloppen, een Tilburgse vriend, met wie ik nu al jaren prima samenwerk, maar die had door mijn faillissement in ’81 al twee ton verloren en nooit teruggekregen. Bij zo iemand sta je niet gelijk op de stoep. Desondanks had hij aangeboden mij opnieuw te helpen en mij gewaarschuwd niet met die kukwauzels aan te pappen.

PLAYBOY: Kukwauzels? Is dat Tilburgs?

LATJES: (schaterend) Zoiets ja. Minkukels, hè. Uiteindelijk ben ik tóch bij hem terecht gekomen. Hij heeft met vijfentwintigduizend gulden borg gestaan bij de Kamer van Koophandel en mij ook nog eens 25 mille geleend om voor de derde keer te kunnen beginnen. Hij was met mij begaan en zei: ok, als ik mijn geld kwijt ben, kijk ik je er niet op aan. Dan heb ik pech gehad. Maar het is goed gegaan. Heel goed zelfs. Vorig jaar hebben we zeven ton bruto opbrengst gehad en Storm had na het eerste jaar zijn centen al terug. Ik heb van die 25.000 gulden er overigens maar 8.000 gebruikt. Daarvan heb ik de huur van een pand aan het Damrak betaald en een stel witte stoeltjes van een tientje per stuk bij Blokker. Op 15 mei 1984 is Malibu Travel BV van start gegaan. Sindsdien hebben we ons kantoor een paar keer uitgebreid, zo lekker loopt het, maar het mooiste is dat we geen enkele bank nodig hebben. We zijn niet meer chantabel, zoals vroeger, omdat we onszelf financieel volledig kunnen bedruipen. Malibu is bovendien een Amerikaanse bv. Ik heb indertijd een advocaat in de VS opgebeld en die had het in een week voor elkaar. Voor de Nederlandse fiscus maakt dat niets uit, want ik betaal hier gewoon belasting, maar als de KLM me ooit nog eens zou flikken wat ze in Tilburg heeft gedaan, kan ik haar volgens Amerikaans recht aanpakken. Dan kun je miljoenen dollars schadevergoeding eisen, daar tippelen die advocaten op. Persoonlijk ben ik nu beter af dan ooit in Tilburg.

PLAYBOY: Geef je jezelf een mooi salaris?

LATJES: Vijfduizend per maand.

PLAYBOY: Dat is bescheiden voor een directeur.

LATJES: Ik kan tóch niet meer opmaken. Daar heb ik gewoon geen tijd voor. Ik werk de hele dag in Amsterdam, neem ’s avonds de trein naar Tilburg, rij met mijn Fiatje naar huis in Goirle en ga na het eten achter een van m’n twee computers zitten om oude tarieven te wijzigen of nieuwe op te nemen die per fax en telefoon uit het buitenland zijn binnengekomen. Als alle andere dingen zijn gedaan — kranten lezen, teksten schrijven — ga ik naar bed, want om zeven uur moet ik weer op. Trein van half negen naar Amsterdam, enzovoort.

PLAYBOY: Dat klinkt weinig opwindend, om niet te zeggen saai. Ben je je wilde haren kwijtgeraakt?

LATJES: Die heb ik nooit gehad. Ik ben altijd een jongen geweest van niet drinken, weinig roken en veel boerenkool. Je doelt misschien op dat huisje in Miami, dat ik vroeger had. Ach, ik was toen misschien niet zo’n sober mens als nu en ik hechtte iets meer waarde aan luxe, maar dat hoeft van mij nu helemáál niet meer.

PLAYBOY: Waarom blijf je eigenlijk in Tilburg hangen en ga je niet gezellig in Amsterdam wonen?

LATJES: Dat vind ik helemaal geen gezellige stad. Ik heb er een tijd gewoond maar als ik een minuut in de metro zat was ik al in een mineurstemming. Bovendien vind ik het niet erg om elke dag een paar uur in de trein te zitten. Dan heb ik rust en kan ik op mijn gemak een beetje schrijven. Dat doe ik nog steeds alleen. Ik heb een draagbaar computertje op batterijen en daar zit ik dan op te klooien. Gekke dingen bedenken. Je kunt niet in een hectische omgeving leven én tegelijk creatief zijn. Daar moet voldoende afstand tussen zijn. Er is nóg een reden: mijn vrouw komt uit de regio Tilburg en heeft daar haar werk als verpleegster.

PLAYBOY: Nicole?

LATJES: Nee, aan haar heb ik wel veel steun gehad nadat de zaak was ontploft, anders was het helemaal niet te harden geweest, maar Nicole is een paar weken na onze terugkeer in Nederland weggegaan. Ongeveer een half jaar later, in april ’82, ben ik Lilian tegengekomen. We zijn nooit getrouwd, maar we zijn wel vijf jaar bij elkaar geweest. Ze heeft nog een tijd bij Malibu Travel gewerkt. We hebben een dochtertje, Wendy, dat nu zeven jaar is en bij haar moeder in Culemborg woont. Om de twee weken is ze een weekend bij mij en dat is eigenlijk mijn enige ontspanning. Dan gaan we naar het bos, naar de speeltuin of naar de sauna in Eindhoven. Wendy is vermoedelijk het enige Nederlandse kind van die leeftijd dat al zes keer, met mij of met Lilian, naar Disneyland in Amerika is geweest. Dat vindt ze fantastisch en het kost mij bijna niets. Lilian en ik zijn uit elkaar gegaan en nu woon ik alweer tweeëneenhalf jaar samen met Henriëtte. Wij denken erover te gaan trouwen, maar ik spreek nu al over mijn vrouw als ik haar bedoel.

PLAYBOY: Een zekere voortvarendheid kan je niet worden ontzegd. Vier vrouwen in een paar jaar. Toch ging het steeds mis. Hoe kwam dat?

LATJES: Vooral door het werk, denk ik. Ik ben Clasien kwijtgeraakt in de krankzinnige spanning van ons bedrijf rond ’80 en Lilian in de opbouwfase van Malibu, een jaar of vijf, zes later. We maakten lange dagen en als we even op adem kwamen ging het nóg over de reisbusiness. Dat loopt fout. Daarom ben ik zo blij dat Henriëtte in de verpleging zit. Dan kun je ’s avonds ook eens een normaal gesprek voeren.

PLAYBOY: Het valt me op dat er in je bedrijf alleen meisjes werken. Is dat toeval?

LATJES: In het prille begin wel. Mijn eerste assistent in dat afbraakpand was toevallig de dochter van de buurman. Kort daarna kwam Clasien, mijn ex-vrouw, erbij. Toen had ik al twee vrouwen en als je eenmaal aan vrouwen bent begonnen, kun je er moeilijk nog een kerel tussenzetten, want die begint meteen de baas te spelen. Later heb ik pas begrepen waarom het zo goed is alleen meisjes te hebben. Ze zijn niet alleen geduldiger en mooier dan de meeste jongens, maar ze beginnen ook niet zo gauw voor zichzelf. Ik heb bij anderen maar al te vaak gezien dat jongens na twee jaar weggaan en dan zelf een reisbureautjes opzetten. Een soort spoedcursus om op eigen benen te kunnen staan. Ik moet het afkloppen, maar dat is míj nog nooit gebeurd. Ik denk dat vrouwen, ondanks alle moderne theorieën, toch minder ambitieus zijn dan mannen. Als ze een leuke baan hebben en een goed salaris, hebben ze geen behoefte om weg te gaan. Ik vind vrouwen ook meer solidair dan mannen als puntje bij paaltje komt. Trouwer. Toen het indertijd moeilijk ging in Tilburg en Amsterdam, vooral het laatste halfjaar, heb ik veel steun gehad van de meisjes op kantoor. Het was vechten tegen de bierkaai, we moesten immers alles bij de ABN inleveren, maar niemand ging weg. Iedereen hielp mee tot het laatste moment en werkte zelfs over als het nodig was.

PLAYBOY: Kom je nog wel eens iemand uit die tijd tegen?

LATJES: Jawel, regelmatig en dan hebben ze het er altijd over hoe we tóén hebben gesappeld. Geen woord van kritiek.

PLAYBOY: Kun je beter met vrouwen opschieten dan met mannen?

LATJES: Ik kan met vrouwen inderdaad gemakkelijker en ook emotioneler overweg dan met mannen. Met sommige vrouwen die ik voor de eerste keer tegenkom heb ik soms zelfs een brutaal contact. Of liever gezegd een direct contact. Dan zit ik al gauw zwaar te bomen met zo’n vrouw en dan vraag ik naar alles.

PLAYBOY: Zoals?

LATJES: Of ze een vriend heeft en hoe het met haar liefdeleven staat. Die dingen.

PLAYBOY: Zo, je hebt wel bijgeleerd sinds de katholieke jongenskostschool.

LATJES: Ja, maar alleen bij een bepaald type vrouw werkt dat. Dan vind ik het leuk om te testen of ik haar zover kan krijgen dat ze dat zegt. Het moet natuurlijk wel klikken. Dan maak ik een grapje en een praatje, en soms denk ik: godverdomme man, dat kun je niet zeggen, begrijp je wel. Maar dan valt het me heel vaak op dat er tóch een antwoord op komt en dat ze zelf verder gaat. Bij een ander valt het gelijk goed. Of verkeerd.

PLAYBOY: Volgens mij test je meer jezelf dan de ander.

LATJES: Beide. Lang geleden, begin 1981, ben ik in Hongkong eens bij een fortune-teller, een Chinese waarzegger, geweest en die vertelde me al dat ik extreem nieuwsgierig ben naar menselijke reacties, inclusief mijn eigen gedrag. Dat was een heel oude, wijze man met een lange, grijze baard, dus die zal wel gelijk hebben. Hij las mijn hand, mijn gezicht en mijn sterren en zei precies wat er tot dan toe met mij was gebeurd. Dat klopte zo exact dat ik de rest van zijn verhaal ook wel moest geloven. Hij voorspelde dat ik zakelijke tegenslagen zou krijgen, dat ik in 1984 opnieuw zou beginnen en dat ik op mijn vijfenvijftigste rijk en machtig zou zijn. Maar daarna moest ik wel meteen met werken ophouden, anders zou mij nieuwe rampspoed overkomen. Hij voorzag ook dat ik 84 jaar zou worden.

PLAYBOY: Mooi! Je houdt je zeker nauwgezet aan zijn advies?

LATJES: Ik wel, want dat komt mij niet slecht uit. Achteraf ben ik blij dat het ongeluk mij zo jong, op mijn eenendertigste, en niet op mijn eenenzestigste heeft getroffen. Nu ben ik er vanaf en wacht mij nog een lang en gelukkig leven.

Bron: Playboy, augustus 1990. Interview door Hans Hoffmann. Bekijk de oorspronkelijke scans.

Ad Latjes

Reisondernemer, internetpionier en columnist.

Contact Ad Latjes